vrijdag 27 december 2013

Het mysterie van Břiza.


Een paar weken geleden heb ik geschreven dat ik een verhaal wilde schrijven doorspekt met foto's die ik heb gemaakt in Tsjechië bij een verlaten gebouw. Het verhaal is klaar en ik heb het hieronder geplaatst. Het is best een lang verhaal geworden en ik kan het begrijpen als er mensen zijn die geen zin hebben om het te lezen. Die kunnen uiteraard gewoon alleen de foto's bekijken.
Voor degenen die wel lezen: ik hoop dat het in de smaak valt.

Het mysterie van Břiza. 

Het begon allemaal toen ik na jaren van afwezigheid terugkeerde naar Břiza. Eigenlijk weet ik niet eens waarom ik terugging, ik had er immers niets meer te zoeken. Mijn ouders waren overleden en woonden niet meer in de rechthoekige uit beton opgetrokken blokken die achter het Kolektiv waren neergezet voor de mensen die er werkten: mijn opa, mijn vader, mijn moeder, mijn oom en tante en alle buren die wij hadden. 

Het eigenlijke dorp, dat overigens niet veel groter was dan een handvol boerderijen, een paar huizen en een staatscamping, lag aan het stuwmeer dat was ontstaan nadat de stuwdam in het riviertje de Ohře was geplaatst. Wij woonden echter apart, achter het Kolektiv, en wij ‘hoorden’ om die reden dan ook niet bij het dorp.

De woonblokken
Mijn vrienden en vriendinnetjes waren vanzelfsprekend de kinderen van de blokken waarin we woonden. Blokken zonder kleur en allemaal hetzelfde. In die tijd wist ik niet beter of een groot deel van de wereld zag er zo uit, zelfs het 500 meter verderop gelegen eigenlijke dorpje was voor ons kinderen een andere wereld waar we met ontzag naar keken. 
Vanuit ons blok kon je de Signálka zien liggen, heel in de verte. Het IJzeren gordijn. Met een verrekijker kon je de grote rollen prikkeldraad en hekken zien. Wat zich dáár achter bevond wisten wij kinderen niet. 

Soms slopen we stiekem door het bos naar de Signálka om de soldaten te bespieden die het IJzeren gordijn dag en nacht in de gaten hielden. 

Uitzicht in de richting van de 'Signálka'
Vragen waarom wij geen, of zeer moeilijk, toestemming kregen om de grens naar ‘het vrije westen’ door te komen, waren moeilijk te beantwoorden. De Russen die ons destijds bevrijd hadden waren later onze bezetters geworden. Iedereen moest op z’n woorden letten, het was zoals het was. En iedereen die in ons blok woonde, werkte in het Kolektiv. Dat was ook zoals het was.

Ik beschouw mijn jeugd niet als ongelukkig maar achteraf beschouwd werden we dom gehouden. Natuurlijk vond ik dat ik te weinig wist van de wereld achter het IJzeren gordijn, behalve dan dat die wereld door onze leiders als ‘verderfelijk’ werd beschouwd. Echt veel tijd om daarover na te denken hadden we dan ook weer niet. We hadden het druk genoeg. We gingen naar school, we speelden en we hielpen onze ouders en grootouders. Elk jaargetijde had zijn eigen bezigheden en spelletjes. In de winter, als de sneeuw soms wel tot bijna een meter hoog lag, zochten we in het naastliggende bos naar afgebroken takken. Onze vaders zorgden voor de grotere stukken hout en we hielpen met kloven, stapelen en sjouwen. Er moest immers gestookt en gekookt worden. Het was een klus om het betonnen blok warm te houden. De ramen kierden en veel onderhoud was er niet. Mijn moeder kookte vaak op de kachel in de kamer omdat de keuken waar het fornuis stond zo vochtig was. Wij werden warm van het sjouwen en dragen. Als kind beseften wij niet wat de ontberingen waren die onze ouders en grootouders wel degelijk ondervonden. Wij speelden in de sneeuw, gleden en schaatsten over het stille bevroren meer en kwamen met rode wangen moe maar voldaan thuis. 

Zomers hielpen we in de kleine moestuintjes die onze ouders waren toegestaan. Er was een soort stilzwijgende overeenkomst tussen de buren gesloten: ieder beplantte de helft van zijn stukje grond met één gewas en de andere helft van de moestuin met andere gewassen. Zo kon er onderling door iedereen geruild worden. Als we vrij waren van school, twee volle maanden lang, maakten we hutten in het bos en zwommen in de Ohře en het meer. In de nazomer en herfst gingen we paddenstoelen plukken die we vervolgens droogden op een zelf getimmerd droogrek dat was overspannen met een soort gaas. 
 
Paddenstoelen drogen
In de lente genoten we van het verse gras en de bloesems en liepen naar de ruïne van de toren van Pomezná waar een oude verlaten ijskelder was. We speelden er verstoppertje en in de rivier ertegenover visten we.

Ruïne van de toren van Pomezná
Ons leven draaide vooral om het Kolektiv. Tenslotte hadden alle volwassenen er hun werk en verdiende iedereen uit ons blok daar zijn geld. 

Toen ik vertrok uit de grijze betonnen wereld om in Praag te gaan studeren, waren mijn ouders er nog altijd aan het werk. Ze hadden veel voor mij over, zoveel dat het zelfs mogelijk was voor mij om te gaan studeren in Praag. Een mogelijkheid die ik met beide handen aangreep. Er was niets wat ik liever wilde dan een toekomst buiten onze grijze woonblokken en het Kolektiv.

Tijdens mijn studie voltrok zich een zeer belangrijk feit in de geschiedenis: het IJzeren gordijn verdween voorgoed. We waren min of meer vrij, eindelijk.
Het Kolektiv bleef echter bestaan, niet als zodanig maar de meeste mensen bleven er wel werken, het was een zekerheid die ze al jaren kenden en in de buurt was ook niet veel ander werk te vinden. De chef, meneer Jánek bleef ook. Hij woonde op het terrein van het Kolektiv, dat hij samen met zijn hond Noushka bewaakte. Meneer Jánek had meer geld dan mijn ouders of onze buren. Hij had als eerste ooit op het Kolektiv een eigen auto, een heuse Trabant.  
Mijn eigen leven kreeg dankzij mijn studie een heel andere wending. Bij een van de technische afdelingen van de Škoda fabriek in Mladá Boleslav vond ik een goede baan en ik woonde in een nagenoeg nieuw appartement. Het leven zag er rooskleurig uit. De contacten met mijn familie werden beperkt tot verjaardagen, Pasen en kerst. Dan liet ik mijn ouders overkomen zodat ze even weg waren uit het woonblok en het grijze leven dat ze leden. En zodat ik er niet terug hoefde.
In al die jaren ben ik slechts twee keer terug geweest naar Břiza; de eerste keer voor de begrafenis van mijn moeder, de tweede keer voor de begrafenis van mijn vader. Daarna had ik er niets meer te zoeken en die gedachte beviel mij meer dan uitstekend. 

Het lot had echter een heel andere bedoeling met mijn leven en zond mij ongevraagd terug naar waar ik vandaan kwam. 

Voor mijn werk kreeg ik een opdracht waarvoor ik naar Cheb moest reizen, een kleine stad aan de westkant van wat inmiddels de Tsjechische Republiek heet. Vlakbij mijn geboortedorp Břiza. Na de besprekingen voor het werk liep ik in de schemering naar mijn auto. In plaats van naar het hotel te rijden waar ik logeerde, reed ik richting
Břiza. De paar kilometer reed ik zonder het echt zelf te willen maar ik kon de onrust en drang om te gaan kijken naar mijn verleden niet negeren. Het inmiddels geasfalteerde weggetje leidde mij erheen en toen ik de bocht in reed, zag ik het Kolektiv waar mijn ouders altijd gewerkt hadden. Althans, dat wat er nog van over was.


Als ik zeg dat ik geschokt was, dan is dat zacht uitgedrukt. Het hele Kolektiv was verworden tot een soort ruïne. Ik kon het niet echt goed zien want inmiddels was het donker en moest ik het pand, of wat er van over was, met mijn autolichten beschijnen. Lantaarnpalen waren er nog steeds niet, net als vroeger. Voor zover ik kon zien was het dak eraf, alleen een verroest ijzeren skelet herinnerde eraan dat er ooit een dak was geweest. Er groeiden bomen en struiken op de zolder waar vroeger het eten voor de dieren werd opgeslagen.
De avond was koud, de lucht was eerst nog helder en ik zag de sterrenhemel toen ik de autodeur opende en uitstapte. Terwijl ik de schok van de aanblik van het Kolektiv probeerde te verwerken trok de lucht dicht. In de verte jankte een hond. Het klagelijke geluid klonk akelig in deze verlaten omgeving. Rillend nam ik het 'skelet' van het Kolektiv in mij op. De ijzeren deuren van de vroegere zolder piepten in de wind, alle ramen waren versplinterd en de tuin, waar ik zo vaak in had gewerkt om te helpen, was een wildernis en bezaaid met stukken steen, autobanden en andere rommel. De sfeer die uitging van het gebouw maakte dat ik me onbehaaglijk voelde. Toen het begon te sneeuwen en de eerste mistflarden kwamen opdoemen, besloot ik weg te gaan en de volgende dag terug te komen en proberen om wat informatie te krijgen.

Toen ik de volgende dag terugkeerde zocht ik bij de woonblokken die er nog steeds stonden, maar nu grotendeels verlaten waren, naar iemand die mij iets kon vertellen. Nadat ik bij een huis door blaffende honden werd opgemerkt, kwam er een oude man naar buiten. Het was een vroegere collega van mijn vader. De inmiddels stokoude man haalde herinneringen op uit de tijd dat hij samen met mijn ouders had gewerkt op het Kolektiv. Beleefdheidshalve luisterde ik naar zijn verhalen maar ik wilde eigenlijk alleen maar weten wat er met het Kolektiv was gebeurd. Op het moment dat ik daarnaar vroeg verscheen er een angstige blik in de ogen van de oude man.  “Blijf daar weg, het is er niet pluis”, zei hij. Over waarom het er niet pluis was en wat er precies gebeurd was met het Kolektiv, wilde hij maar weinig kwijt. Maar met het weinige wat hij mij wel vertelde, begint mijn bizarre verhaal.

Het verval van het Kolektiv begon op de dag nadat meneer Jánek een ernstig ongeluk kreeg met zijn auto. De Trabant was op de onverharde weg naar de woonblokken om onduidelijke redenen van de weg geraakt en de auto was tegen een boom gereden. Meneer Jánek werd zwaar gewond uit het wrak gehaald en met loeiende sirenes naar het ziekenhuis in Cheb gereden. Onderweg overleed hij aan zijn verwondingen en hij had nog slechts 1 woord gezegd: 'Noushka.....'. De naam van zijn hond en trouwe metgezel.
Noushka, die naast meneer Jánek in de auto had gezeten, was uit de auto geslingerd en lag jankend op de weg. De hond overleefde wonderwel haar verwondingen maar weigerde te eten. Meer dan een week lag ze zonder te eten bij de woning van meneer Jánek te wachten op de terugkeer van haar baas. De nacht die volgde op dag dat meneer Jánek werd gecremeerd in Cheb, jankte de hond de hele nacht. ’s Ochtends werd het stil en toen de eerste werknemers op het Kolektiv aankwamen, vonden zij de hond dood bij de woning. De hond werd op het terrein van het Kolektiv begraven, zij had daar immers altijd de wacht gehouden en haar leven doorgebracht.  

Het leek of er met de dood van meneer Jánek en Noushka een vloek over het Kolektiv werd uitgesproken. De dieren werden ziek en stierven één voor één. Tijdens een hevig onweer in de zomer was er een blikseminslag in het gedeelte waar de mannen aten en wasten en ten slotte richtte een najaarsstorm een bijna allesverwoestende schade aan. Het dak werd losgerukt, bomen werden ontworteld en het laatste nog bruikbare deel van het Kolektiv stortte in. Het Kolektiv dat ooit een groep mensen aan het werk gehouden had, werd voor altijd gesloten. Restanten van het werk bleven onaangeroerd achter, niemand wilde nog terug naar het Kolektiv waar verwoesting en dood hand in hand leken te gaan. Het hek werd afgesloten en er werd een bord opgehangen met ‘verboden toegang’ erop.

Ondanks het gesprek met de oude man kon ik de impuls niet weerstaan om het terrein van het Kolektiv op te gaan. Een onzichtbare hand gaf me het laatste zetje. Nadat ik mijn auto had geparkeerd en was uitgestapt, kroop ik onder het prikkeldraad door dat de mensen moest weghouden van deze plek des onheils. Langzaam sloop ik langs het verwoeste gebouw. Het was een grijze dag en de stevige wind liet de bomen kreunen en de losse onderdelen van het gebouw kraken en klapperen. 


Aan de achterkant van het Kolektiv was vroeger de zogenaamde grote ingang geweest. Grote houten deuren waardoor de koeien naar buiten en naar binnen gelaten werden en waar de tractoren doorheen konden rijden. 



Ook was er nog een soort grote betonnen hal waarvan ik het nut als kind nooit had begrepen.  


Bij de achterzijde aangekomen zag ik diezelfde hal in verwoeste staat. Alle vensters hadden geen ruiten meer en de luiken hingen scheef te klapperen tegen de muur. Zodra ik er naar binnen stapte, hoorde ik de holle echo van mijn voetstappen. Voorzichtig liep ik verder en onder mijn schoenzolen kraakten de losgeslagen delen steen, hout en glas. 



Ik draaide me om omdat ik meende buiten een hond te horen janken maar toen ik nog eens luisterde was het oorverdovend stil.
Bij de volgende windvlaag was het gedaan met de stilte. Eén van de houten toegangsdeuren tot de stal kraakte in z'n sponning. Ik zag een gat naast de deur en keek door het gat de stal in. 



Was dít de plek waar ik in mijn jeugd zo vaak was geweest? Waar mijn ouders hadden gewerkt?
Waar koeien hadden gestaan in dampend stro?
Ik kon het niet geloven.


De aanblik van deze verlaten en doodse ruimte trof me meer dan ik kon vermoeden. Het leek of een deel van mijn jeugd aan stukken gescheurd werd en begraven met de restanten van het ooit zo bloeiende Kolektiv. Vol ongeloof trok ik mijn hoofd terug uit het gat en liep naar de houten deur.
De grote houten deur liet zich met enige moeite openduwen en ik wrong mijzelf er langs en naar binnen de totaal verlaten grote stal in. Was het de wind die door de kapotte ramen blies die zorgde voor alle geluiden rondom mij heen? Overal kwam geluid vandaan, fluisterend, zuchtend, kreunend. Met mijn rug naar de deur zocht mijn blik de grote stal af. Geen levende ziel was hier meer te vinden, alles was kapot en verlaten.

Toen..... hoorde ik een fluistering. Zacht maar onmiskenbaar hoorde ik de stem van meneer Jánek een naam fluisteren: ‘Noushka..... Noushka....’ Was het mijn verbeelding die me parten speelde in dit onherbergzame pand of fluisterde er werkelijk iemand achter mij? Ik voelde een zucht koude wind langs mijn huid strijken maar het duurde slechts één seconde. Waar ik dacht dat hier alleen een verlaten gebouw en ik waren, leek ik het mis te hebben. Langzaam draaide ik me om. Toen, in een flits, realiseerde ik me dat het leek alsof er aan de rechterkant een fiets stond. En ik was zeker dat die er daarvoor niet had gestaan....


Meneer Jánek had vroeger altijd zijn fiets in de grote stal gebruikt. Hij moest zo vaak zowel aan de ene als aan de andere kant van de stal zijn dat het op een gegeven moment gemakkelijker was om een fiets te nemen. Fietsen scheelde veel tijd en ook niet onbelangrijk, veel geschreeuw. Maar die fiets...., ik was er zeker van dat die er niet was toen ik binnenkwam.

Geschrokken rende ik door de ruimte naar de andere kant en draaide me om. Niets dan leegte staarde me aan. 


 

Voorzichtig en tot het uiterste gespannen verkende ik de ruimte. De drinkbakken van de koeien waren nog deels aanwezig en leken pas nog gebruikt; het water stond er nog in. De verroeste hekken waar de koeien ooit tussen hadden gestaan vormden een geraamte binnen het geraamte van het gebouw. 





Weer voelde ik de koude wind. Buiten was de hemel totaal grijs en ik zag sneeuwvlokken langs de ramen geblazen worden. Ik was tot het uiterste gespannen en zo bang van wat er om mij heen in de stal gebeurde dat ik niet opmerkte dat er door de kapotte ramen heel langzaam maar gestaag mist naar binnen begon te sijpelen. 


In paniek keek ik om mij heen. Het licht in de stal veranderde. Van kleur, van vorm.....
De wind trok aan en het geklepper van alles wat los hing werd heviger. Het licht draaide, het kwam van rechts, van links, van voor mij en van achter mij. Ik had niet in de gaten dat ik hevig stond te bibberen van angst en de klamme rilling die over mijn ruggengraat naar boven kroop, merkte ik pas toen de hele omgeving zich in een waas bevond en leek rond te draaien.




Het zicht werd snel minder en paniek overspoelde me. Ik wist dat ik hier niet moest blijven. 
‘Noushka....... ‘ hoorde ik wederom, maar nu kwam het geluid van bij de deur waar ik naar binnen was gegaan. De deur klepperde maar werd inmiddels geheel aan mijn blik onttrokken door de mistflarden die steeds dichter werden en zich verder door de stal verspreidden. Het hartverscheurende gejank van een hond verdrong mijn laatste twijfel. Hier was iets waar ik niet bij wilde horen. Nooit had ik geloofd in geesten of ronddolende zielen maar nu sloeg de twijfel hard toe. Ik wilde maar één ding: weg van deze plek en er nooit meer terugkomen. 

Zo snel als maar mogelijk was probeerde ik de houten deur te bereiken. Ondertussen was het zicht zo slecht geworden dat ik diverse keren struikelde waarbij ik om een val tegen te gaan mijn handen uitstak en iets voelde wat warm en kleverig was. Mijn hand plakte maar ik besteedde er geen aandacht aan. Buiten adem bij de deur aangekomen, draaide ik mij nog eenmaal om. Binnen één enkele seconde trok alle mist op en in de verder donkere stal was slechts één lichte plek te zien. Daar, in een bundel licht stond de fiets van meneer Jánek. 


Zo hard als ik kon duwde ik de houten deur open en struikelde de betonnen hal in. Het gejank van de hond klonk nu dichterbij. Door de hal rende ik de voormalige tuin in. Mijn hart bonsde zo snel en ik was zo buiten adem dat ik even moest stilstaan om op adem en tot rust te komen. Buiten leek het veilig ondanks de kou en de grijze lucht.  
 
Door de brokstukken van wat ooit de wasruimte was die er nu ellendig uitzag met z’n lelijke blauwe tegeltjes die standaard werden gebruikt voor bijna elk Kolektiv, liep ik richting de tuin waar de mannen in de zomer hun brood aten. 



De tuin was destijds de trots van meneer Jánek en in zijn spaarzame vrije tijd was hij er altijd te vinden.
Meneer Jánek had er twee visvijvers laten aanleggen waar hij zelf, soms zelfs tot diep in de nacht, bij zat te vissen.
Nog in shock van alles wat ik had gehoord en gezien liep ik door de tuin vol met onkruid langs de eerste visvijver. Toen ik bijna bij de tweede visvijver was, hoorde ik zacht gemompel en het tevreden geluid van een hond die wordt gekroeld. Aan de grond genageld bleef ik staan en keek naar de vijver. In de sneeuw zag ik meneer Jánek zitten met een hengel in zijn hand. Hij grijnsde naar me. 


Ik gilde en kneep mijn ogen dicht, ik wilde geen geesten zien waar ik niet in geloofde. Na enige tijd stopte het gemompel en opende ik voorzichtig mijn ogen. Langzaam trokken ook hier flarden mist voorbij. Meneer Jánek leek op te lossen voor mijn ogen.


Weer sloot ik mijn ogen. Mijn hoofd tolde en ik stond op het punt flauw te vallen. De houten omheining behoedde me daarvoor. Na enige tijd leek ik weer controle over mijn lichaam te hebben. Ik keek op en zag de vijver er stil en verlaten bij liggen. Het enige wat er bij mij in de buurt lag, was het wrak van de Trabant van meneer Jánek. 



De laatste honderd meter naar het hek rende ik alsof de duivel me op mijn hielen zat. Bij het hek aangekomen bukte ik me om eronderdoor te kruipen en om deze verschrikkelijke plek voor altijd achter me te laten.

Zo snel als mogelijk opende ik het portier van mijn auto en stapte ik in. Het laatste wat ik voelde was de tong van een hond die mijn hand likte net voor ik het portier dicht smeet en op slot deed. Vervolgens barstte ik in huilen uit terwijl alle spanningen van de afgelopen uren mijn lichaam deden trillen. 

Ik weet niet hoe lang ik heb zitten huilen maar toen ik besefte dat het voorbij was, was het bijna donker. Doodmoe reed ik terug naar het hotel in Cheb waar ik logeerde. Op mijn kamer aangekomen ging ik op bed liggen, ik was te moe om me zelfs nog om te kleden. Op mijn rug liggend sloot ik mijn ogen. Heel vaag hoorde ik in de verte het zachte janken van een hond en een moment later het gekabbel van water. Een hand streelde over mijn haar en een zachte stem klonk in mijn hoofd. "Noushka, ben je daar eindelijk. Kom, we gaan samen vissen". Toen voelde ik de slaap over mij heen vallen. De slaap waaruit ik tot op de dag van vandaag nog niet ben wakker geworden.

********************************************************************************
Het dorpje Břiza bestaat echt, net als de stad Cheb. Ook bestaat het verlaten gebouw, de foto’s bewijzen het. Waartoe het ooit gediend heeft weet ik niet.
In voormalig Tsjecho-Slowakije waren echter wel degelijk staatsboerderijen in de periode dat het nog communistisch was. Deze werden ‘Kolektiv’ genoemd. Ook zijn ze wel bekend als sovchozen en kolchozen.
De huidige Signalká is daadwerkelijk het voormalige IJzeren gordijn, de eerdere grens tussen het communistische Oostblok en het kapitalistische westen.
‘Het verhaal van het mysterie van Břiza’ berust verder op voornamelijk fantasie. Mijn fantasie die ik heerlijk de vrije loop heb gelaten en die ik onder meer heb laten inspireren door mijn (foto)bezoeken aan het verlaten pand en de omgeving ervan.

Marianne Wustenhoff, december 2013 ©

zondag 15 december 2013

Een vrouw, een missie.

Een missie, een passie en een reputatie. Met deze drie 'ie' woorden in mijn achterhoofd vertrek ik vandaag richting polder Groot-Mijdrecht. Het doel: ganzen.

Degenen die mij al wat langer kennen, weten dat ik in de winter regelmatig ganzen kijk. Vogels kijken en bijkomend fotograferen is natuurlijk mijn passie en in de winter komt daar het ganzenringen aflezen bij. Als je daar eenmaal aan begint, wordt het een verslaving. Bijkomend voordeel van het veel naar ganzen kijken is dat ik nog weleens een bijzonder gansje vind. Inmiddels heb ik ongevraagd een reputatie opgebouwd als 'Roodhalsganzenvrouw'.

Het zat me dan ook helemaal niet lekker dat ik dit jaar nog geen enkele Roodhalsgans had gevonden. Als je regio-genoten dan ook nog tegen je gaan zeggen dat 'het zo onderhand wel weer eens tijd wordt voor een Roodhalsje want die hebben we nog niet dit jaar en jij vindt ze toch altijd', dan heb je een missie.
En een reputatie hoog te houden, ook niet helemaal onbelangrijk ;-).

Roodhalsgans (Branta ruficollis) (foto uit mijn archief)

Uiteraard was het belangrijkste voor mij dat ik zelf nog geen Roodhalsgans gevonden had dit jaar en dat kan gewoon niet. In de polder scan ik de paar ganzengroepen af die ik tegen kom, echt veel zijn dat er niet en de groepen zijn ook niet groot. Totdat ik op de Botsholsedwarsweg toch een flinke groep ganzen zie. Daar gaan we eens even lekker voor zitten! Binnen 3 minuten pik ik er een Roodhalsje uit. Yes, missie geslaagd! Na diverse sms-jes en een upload naar waarneming heb ik dan ook mijn reputatie gered, zeker nadat ik nog twee op de waarneming afgekomen vogelaars het Roodhalsje aanwijs. Ook de reactie per sms zijn erg grappig: 'Blij dat je er weer bent...' , 'we kunnen nu niet maar voor de komende weken houden we ons aanbevolen' en 'je maakt je reputatie maar weer eens waar, wat betreft die Roodhalsganzen'.

Roodhalsgans (Branta ruficollis) (foto uit mijn archief)

Na de Roodhalsgans zoek ik verder tussen de ganzen op zoek naar geringde exemplaren. In een grote groep Kolganzen vind ik uiteindelijk 4 ringen en in een andere groep nog één. Als je nagaat dat er rondom de Botsholsedwarsweg en de Proostdijerdwarsweg zo'n 15000 (Kol)ganzen zaten, is dit eigenlijk een mager resultaat.
Wat het lage aantal dan weer helemaal goed maakt, is het feit dat het voor mij 5 nieuwe aflezingen zijn én dat er een Rusje bij zit. En wat voor Rusje! Geringd in Siberië, helemaal in het noord-oosten van de Pyasina-delta. Zie het kaartje hieronder, afkomstig van de website www.geese.org, waar ik al mijn afgelezen ganzenringen invoer.

Herkomst en aflezingen van de Kolgans met halsring ZEA zwart

Gelukkig zijn er heel veel jonge Kolganzen, het is dus een goed jaar geweest qua broedresultaat.

Nu heb ik nóg een missie: ik moet 'mijn' andere Rusjes nog terugvinden, de 1CU + 1HG, het stel dat ik al een paar jaar volg (zie de blog 'From Russia with love'). Op de website www.geese.org heb ik inmiddels gezien dat mijn ringen-aflees-collega Kees ze al heeft gezien in de omgeving. Ze zijn dus in elk geval weer heelhuids terug!

Kolganzen 1CU en 1HG  (Anser albifrons)
Geen echte fotoblog dus vandaag maar gewoon het verhaal van een dag in mijn eigen polder als vogelaar met een passie.

Het verhaal met de foto's van het 'spooky' gebouw komt nog. Ik heb er meer tijd voor nodig maar het streven is om het zeker vóór 31 december a.s. te plaatsen.

Allemaal weer bedankt voor het bezoek aan mijn blog en de reacties. En tot slot: gezellige feestdagen en een goed 2014!

maandag 2 december 2013

Dancing on ice



Zeearend, adult (Haliaeetus albicilla)
Elke dag brengt verrassingen als je vogels kijkt. Met kouder weer in aantocht komen er dagelijks nieuwe soorten op het meer. Gisteren werd ik verrast door Wintertalingen, vandaag zie ik de eerste Brilduiker en maar liefst 32 Grote Zaagbekken. Ze zijn echter niet van plan om dichtbij te komen zwemmen, het blijft dus telescoopwerk. 

Wat niet echt een verrassing is, is de Zeearend die ik dagelijks zie. Dat kondigt zich namelijk aan doordat er ineens honderden eendjes hysterisch opvliegen. Uiteraard komt de Zeearend altijd van de kant waar ik niet opkijk, zodat hij me alsnog verrast door ergens anders te zijn dan waar ik denk. Ik moet het dan ook doen met ‘pruts’plaatjes. Desalniettemin kijk ik er elke dag naar uit om ‘Arend’ te zien. Imposant en tegelijkertijd in staat om ondanks zijn grootte geruisloos te verschijnen. En als hij danst op het ijs, want dat doet hij, maakt hij me aan het lachen.

Zeearend, adult (Haliaeetus albicilla)
In de tuin zijn de verrassingen iets minder groot maar ondanks dat blijft het bekijken van vogels en hun gedrag een heerlijke hobby die je de hele dag kunt uitoefenen. De setting van mijn fotoplekje heb ik wat veranderd. Met een kruiwagen ben ik naar een dichtbij gelegen bosje gelopen waar ik stronken hout had zien liggen met mos erop. Ze waren wel enigszins vermolmd wat als nadeel had dat ik heel voorzichtig moest tillen om ze niet in 100 stukjes uiteen te laten vallen, maar als voordeel dat het gewicht meeviel. Vanuit mijn tentje heb ik inmiddels wat aardige foto’s kunnen maken, al zijn het dan misschien niet de meest spannende soorten.

Boomklever (Sitta europaea)

Boomklever (Sitta europaea)

Boomklever (Sitta europaea)
Grote bonte specht, man (Dendrocopos major)
Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)
Ringmus (Passer montanus)

Ringmus (Passer montanus)
Inmiddels heb ik ook ontdekt waarom ik soms tijden voor Jan-met-de-korte-achternaam in mijn tentje zit te wachten terwijl er vlak daarvoor nog heel veel vogeltjes waren:

De kat van de buurvrouw, grrrrrr.
Jaja, echt leuk zo’n voederhuis.

Wat de Tsjechische buren betreft gaat ook daar het leven verder zoals we inmiddels gewend zijn. De buurman van de kerkhof eikels heeft in september 400 kg pruimen van onze pruimenbomen geraapt. In zijn huis staan vijf 150 liter tonnen gevuld met pruimen, te gisten. Het zal een goed Slivovice jaar worden denk ik. En weer is er iets duidelijk geworden: we weten nu waarom ons een paar jaar geleden door de buren werd aangeraden pruimenboompjes in de tuin te zetten. Gelukkig voor de vogels zijn er nog bessen en rotte appels te vinden. De Merel neemt overigens ook gewoon genoegen met alles wat ik neergooi, ondanks zijn ‘gescheld’.

Merel (Turdus merula)
Een paar dagen geleden ben ik weer terug geweest naar het verlaten pand. Nu ben ik bezig een verhaal te schrijven gelardeerd met foto’s. Zo’n pand heeft grote aantrekkingskracht op mij en ik denk dat dat is omdat je er zoveel over kunt bedenken en fantaseren. Het verhaal wil ik binnenkort op dit blog plaatsen maar het heeft natuurlijk niets met natuur- of vogelfotografie te maken. Wel met ‘spooky’ fotografie. Hopelijk vinden jullie het geen probleem dat ik dus ook heel soms iets anders plaats. Naast vogel- en natuurfotografie heb ik denk ik nog een fotografiesoort gevonden waarin ik me helemaal kan uitleven.

Een klein voorproefje:

'Maar toen..... hoorde ik de fluistering. Was het mijn verbeelding die me parten speelde of lispelde er iemand achter mij? Ik dacht dat ik een zucht koude wind langs mijn huid voelde strijken maar het duurde slechts één seconde. Waar ik dacht dat hier alleen een verlaten gebouw en ik waren, leek ik het mis te hebben. Langzaam draaide ik me om. Toen, in een flits, realiseerde ik me dat het leek alsof er aan de rechterkant een fiets stond. En ik was zeker dat die er daar voor niet had gestaan....'
 
Wordt vervolgd....

Allemaal bedankt voor het lezen en de leuke reacties. Momenteel heb ik een tamelijk slechte internetverbinding, dus blogs kijken lukt niet altijd. Binnenkort is dat weer over.

dinsdag 26 november 2013

Het was nacht, stikdonkere nacht.....

Zo begon ik altijd de spookverhalen die ik bij tijd en wijle moest vertellen. Het is al een tijdje geleden, het laatste verhaal, maar spookachtig blijft leuk.

Gisterenavond om 21.00 naar een vervallen en verlaten pand gereden. In 'the middle of nowhere' en in het stikdonker. Een test voor 'spooky' fotografie. Echt helemaal op m'n gemak voelde ik me nou weer niet, maar goed, ik ben stoer.....

Met de lampen van de auto heb ik het pand belicht, zelf ben ik voor 1 van de lampen gaan staan omdat er iets teveel licht afkwam. Na wat proberen heb ik uiteindelijk dit resultaat gekregen met 15 seconden sluitertijd. Ik wilde nog verder fotograferen om ook wat meer van de sterren op de foto te krijgen maar al snel werd het bewolkt en begon het te sneeuwen. Dat was natuurlijk om het geheel nog spookachtiger te maken :-).

'Spooky' building
Vandaag ben ik overdag teruggegaan en meerdere foto's gemaakt. Ik moet ze nog bewerken maar eentje van de binnenkant van het pand staat hieronder. Misschien voeg ik later nog meer foto's toe. Ik ga zeker nog terug naar deze plek, het is er geweldig (en goed voor je zenuwen ;-) ).

'Spooky' building
Nog wat foto's toegevoegd:

'Spooky' building

'Spooky' building

Bedankt voor het kijken!

zondag 24 november 2013

Eikels...



Ons tweede thuis zorgt nog wel eens voor ‘vreemde’ situaties. Als wij er niet zijn, worden huis en tuin in de gaten gehouden door diverse buren en in het bijzonder door onze Tsjechische vrienden. Zij zorgen dat de kachel brandt als we komen of dat zomers de tuin op orde is. Ze hebben al eens een ‘inbreker’ (lees: zwaar beschonken dorpsgenoot) verjaagd die zich, al dan niet bewust, in het huis vergiste. Deze controle en oplettendheid zijn fijn voor ons want we kunnen ons huis met een gerust hart achterlaten.

De andere kant van er niet altijd zijn en er dan ineens wél zijn, zorgt soms voor komische situaties. Zo zijn we zomers al eens aangekomen en bleek ons meubilair verdwenen te zijn. Dat bleek bij onze vrienden te staan want die hadden een feestje, en dus tafel en stoelen nodig. En waarom hadden WIJ dan ook niet ge-sms't dat we kwamen. De motormaaier die wij ooit eens hebben aangeschaft, is inmiddels verworden tot dorps-eigendom en is in de loop van de jaren van uiterlijk veranderd door het vervangen van diverse onderdelen die weer afkomstig waren van de motormaaiers van... ja, van wie eigenlijk? De ene buur wandelt vrolijk onze kelder in om iets op te halen wat hij nodig heeft en de andere buur stalt er zijn overbodige spullen. Wij zijn dan ook elke keer weer verbaasd over wat we ineens niet en wél schijnen te bezitten. Maar, dat moet kunnen bij dorpsgenoten onder elkaar.

Ook het gereedschap, de partytent en de koelkast zijn handig als wij er niet zijn. E.e.a. rouleert en soms vinden wij een koelkast vol vlees of bier als we in Tsjechië komen en er ergens weer een feestje op stapel staat. Inmiddels sms ik braaf van te voren wanneer, en hoe laat, we denken aan te komen.

Maar zelfs als men wél weet dat we er zijn, gebeuren er soms vreemde dingen. Zoals de buurvrouw die op een ochtend ineens op handen en knieën door de tuin tijgerde met een emmer naast zich. Navraag leerde dat ze eikels aan het rapen was. Want voor 10 kg eikels kreeg zij een euro. In onze tuin staat een enorme eikenboom waar elk najaar heel veel eikeltjes vanaf vallen. Die wij natuurlijk graag gunnen aan de vogels en eekhoorntjes. Maar daar had de buurvrouw geen boodschap aan en dus verdwenen er kruiwagens vol met eikels uit de tuin. We begrepen het dan ook wel weer, alle beetjes geld zijn meegenomen. De maandsalarissen in Tsjechië zijn immers een heel stuk lager dan bij ons in Nederland.
Overigens, de eikels waren voor de export. Naar Nederland!

Het raap-eikels-en-verdien-geld verhaal deed goed de ronde in het dorp. Overal zagen we eikelrapende dorpsgenoten. Op een gegeven moment was het zelfs zo erg dat er een echtpaar op het kerkhof eikels was gaan rapen. Op dat kerkhof stonden namelijk echt heel veel mooie grote eikenbomen. Alle graven werden afgeschuimd. Nou, dat vond onze buurvrouw toch wel een beetje schandalig, in onze tuin oké maar het kerkhof, dát doe je niet.

Tot zover het eikel verhaal en de inleiding tot het volgende:

‘Jammer voor de gaaien en de eekhoorns’, denk ik ook dit jaar weer als ik ’s ochtends uit het raam kijk en geen eikeltjes zie. Des te verbaasder ben ik als ik even later naar buiten kijk en een stuk of drie Gaaien in de tuin zie scharrelen. Ze vliegen in en uit de tuin, zoeken in het gras en in de enorme eikenboom. Zijn ze de buren te slim af geweest???? Zij ruiken, zien of weten wat ik niet zie: een eikel.....

Eén van de Gaaien vliegt de eikenboom in en begint te rommelen tussen de bladeren van de klimop die langs de boom klimt. De kop van de Gaai verdwijnt in een onzichtbaar gat. Een hoop gewroet en gedoe tussen de bladeren volgt. Nieuwsgierig sla ik de Gaai gade en leg deze ‘soort van de dag’ vast.

Gaai (Garrulus glandarius)
Even later komt de kop het gat uit en wel mét buit: een eikel. De vraag is natuurlijk of de gaaien de eikels hebben verstopt en ze nu komen halen of dat er ergens in de enorme boom nog eikeltjes hangen. De klimop zorgt immers wel voor een mooi vangnet. 

Gaai (Garrulus glandarius)
Een eikel is een kostbare buit en blijkbaar zijn er kapers op de kust. De gaai werpt een schuine blik omhoog en duikt vervolgens met eikel en al een mooi verstop plekje in.

Gaai (Garrulus glandarius)
Zo, de eikel is meteen even weggemoffeld. 

Gaai (Garrulus glandarius)
De Gaai blijft nog even ‘onzichtbaar’ wachten en dan smeert hij hem, met een luide schreeuw én de eikel.

Het mag duidelijk zijn dat de lichtomstandigheden erg matig waren. Desondanks vond ik het gewoon een leuke waarneming en zo vaak krijg ik Gaaien nou ook weer niet op de plaat.
Iedereen weer bedankt voor het bezoeken van mijn blog en de reacties op mijn foto-verhaaltjes.

donderdag 14 november 2013

Sfeerverlichting in 'Hof van Twente'

Zeg nou zelf, de naam 'Hof van Twente' klinkt mooi. Tot korte tijd geleden had ik er niet bewust van gehoord en toen ik er onlangs wat aandacht aan besteedde, bleek het de naam van een gemeente te zijn. Niet dat daar iets mis mee is maar ik dacht dat de naam speciaal was bedacht voor de omgeving van de fotohutten van Han Bouwmeester.

In één van die hutten was ik afgelopen zondag, samen met vogel/fotomaatjes Don en Maria. De hut is gelegen in een loofbos en dat maakte de ligging en het licht zowel uitdagend (als in, oei wat voor iso waarde moet ik nú weer gebruiken, wat is de juiste belichting, hoeveel compensatie etc. etc.), als sfeervol. 

Koolmees (Parus major)
In Tsjechië heb ik een zelfde soort biotoop bij ons huisje, ik ging er dus van uit dat ik hier dezelfde soorten aan zou treffen. Alleen heb ik in Tsjechië niet zo'n mooi laag standpunt en een mooie waterbak voor mijn tentje die voor reflecties zorgt en óók niet van die mooie decoratieve stronkjes.

Boomklever (Sitta-europaea)

Wat ik heb geprobeerd is om eens wat ander soort foto's te maken, sfeervol en foto's met omgeving en reflectie. Geen vogels vol in beeld, een enkele uitzondering daargelaten. Zelf vind ik dat het wel redelijk is gelukt. Het licht dat mooie cirkels maakte door het bladerdak en de struiken op de achtergrond hielp goed daarbij.

Grote bonte specht (Dendrocopos major)

De zoomlens is een uitkomst als je zoiets wilt uitproberen, regelmatig heb ik teruggezoomd om zowel voor als achtergrond in beeld te krijgen. Ook de iso waarde heb ik heel vaak aangepast. De foto's die ik heb gemaakt zijn met tussen de 400 en 1600 iso gemaakt. Ik heb meestal 1/3 stop onderbelicht en met regelmaat het diafragma aangepast. Ik fotografeer (bijna) altijd op de AV stand.

De vogels kwamen braaf op de zaadjes en wormen af, ze kennen de plek duidelijk als een plaats waar iets te halen valt. Jammergenoeg werd er niet gebadderd maar begrijpelijk was dat wel na al die regen. Ook tijdens ons verblijf in de hut kwam er nog een flinke regen- en hagelbui over.Het meest blij ben ik met de foto's van de Glanskop, die had ik niet of nauwelijks. Het is wel een uitdaging om ze op de plaat te krijgen, ze hebben last van ADHD: aanvliegen, pik, wegvliegen... En dat dan, laten we zeggen, zo'n 50 keer.

Glanskop (Poecile palustris)

Glanskop (Poecile palustris)
En dan nog wat meer resultaten van de dag.

Roodborst (Erithacus rubecula)

Boomklever (Sitta-europaea)

Koolmees (Parus major)

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)
Boomklever (Sitta-europaea)

Glanskop (Poecile palustris)

Pimpelmees (Cyanistes caeruleus)
Over een tijdje gaan we naar een andere hut van Han, het is dan winter dus ik ben benieuwd wat we dan weer kunnen verwachten. Dit was een mooie eerste 'test-case' waarin we weer nieuwe (on)mogelijkheden hebben geleerd op fotografiegebied. Zo leer je je camera en lens steeds beter kennen.

O ja, ik schreef in mijn vorige blog dat ik m'n nieuwe (Canon EOS 70D) body wilde uitproberen. Dat heb ik zondag dus uitgebreid kunnen doen. Tot nu toe ben ik heel tevreden met wat de camera aankan.

Grote bonte specht (Dendrocopos major)

Roodborst (Erithacus rubecula)

Koolmees (Parus major)
Dom, de Vink ben ik vergeten maar ik heb nu geen zin om die nog te gaan uitzoeken dus die bewaar ik wel voor 'ooit'.

Iedereen bedankt voor het bezoek aan mijn blog en de leuke reacties. Tot de volgende blog.

dinsdag 5 november 2013

Natte Ibis

Zwarte Ibis (Plegadis falcinellus)
Gedeelde smart is halve smart zeggen ze wel eens. Ik denk dat het waar is. Of toch, vandaag was het waar. In de stromende regen fiets ik mijn wijk. De onlangs aangeschafte nieuwe regenbroek doet zijn werk al bijna net zo goed als de vorige, alweer natte billen dus. Aan het einde van zo'n rit, verregend en een soort verkleumd, is het fijn thuis komen in een warm huis. Ik nestel mezelf op de bank met warme thee, dikke pantoffels en een lekker zacht dekentje. Daar komt een mens van bij.

Amper een uurtje later geeft mijn mobiel een signaal: een sms van vogelvriend Eric. Er lopen 2 Zwarte Ibissen rond bij Nieuwkoop. Een complete routebeschrijving zit erbij. Ik ben al opgesprongen als de twijfel toeslaat, het giet! Met een G. Maar ja, Zwarte Ibissen.... en in m'n eigen regio... en een nieuwe body die ik wil testen.... De knoop is snel doorgehakt en dus spring ik in de auto en haast me naar Nieuwkoop, het is namelijk al ruim 16.00 uur geweest en in deze weersomstandigheden gaat het licht echt héél vroeg uit.

Een half uurtje later kijk ik aan de rand van een nieuwbouwwijk het weiland in en grijns. Een echte grijns. Met een G.

Zwarte Ibis (Plegadis falcinellus)

In de nog steeds stromende regen en met het licht al behoorlijk uit, lopen twee Zwarte Ibissen door het weiland te stappen en te foerageren. Ze lijken dit keer inderdaad zwart door de druipende regen. Een wat betere blik op de vogels doet mij besluiten dat het jonge dieren zijn. In hun eerste winterkleed dus. Ook deze twee Zwarte Ibissen, zijn vogels van Zuid-Europa. Momenteel zijn er veel bijzondere vogels in Nederland, en ook de afgelopen weken hebben vogelliefhebbers heel Nederland kunnen doorrijden om bijzondere vogels te zien. Ik houd het bij de regio, dat is wel mooi genoeg.

Zogenaamd 'schuilend' onder een boom schiet ik wat plaatjes. De Zwarte Ibissen lopen gelukkig niet echt heel ver weg, anders was het écht onmogelijk geweest om er nog een foto van te maken. De regen plenst ondertussen gestaag verder op de natte Zwarte Ibissen. Héél natte Ibissen. Met een N.

Gelukkig hebben ze zo te zien genoeg te eten. Maar toch, de temperatuur en al die nattigheid, ik heb medelijden met ze. Tien minuten later kruip ik weer in de warme auto, droog al mijn spullen af en stuur een bedankje aan Eric. Door de scoop werp ik nog een laatste blik op de drijfnatte zwarte vogels. Sterkte jongens, ik zal aan jullie denken morgen op de fiets.
Zwarte Ibis (Plegadis falcinellus)